feb 052018
 

Schepping van hemel en aarde, week 2

‘Zie, ik geef u al het zaaddragend gewas op de hele aarde, met alle bomen, die zaadvruchten dragen; die zullen u tot voedsel dienen.’ Genesis I:29

In het begin schiep de mens zich een beeld van hemel en aarde. 
De hemel was hoog in zijn ogen, de aarde groot en gevaarlijk. 
Chaos drong zich in zijn geest en leegte zweefde in zijn maag.
De mens sprak: Laat er een grens zijn. En hij trok een grens.
Wat aan de ene kant van de grens lag, noemde hij tuin.
En wat aan de andere kant van de grens lag, noemde hij wildernis.
Zo werd het avond en morgen: de eerste dag.

De mens sprak: Laat de dieren en planten in de wildernis 
door God verzorgd worden, want hij heeft ze gemaakt.
Maar de dieren en planten in de tuin zijn van mij. 
Ik zal ze koesteren en verzorgen, zij zullen mijn tuin verrijken. 
Zo geschiedde. De planten en dieren in de tuin noemde hij: voedsel.
En de planten en dieren in de wildernis noemde hij: natuur.
Weer werd het avond en morgen: de tweede dag.

De mens sprak: De dieren en planten behoren aan mij,
maar zij gehoorzamen aan tijd. Ze bloeien in de lente 
en geven zaadvruchten in de herfst. De vogels leggen 
eieren naar hun aard, maar in de winter doen ze niks. 
Ik zal de planten een huis van glas geven
en in de kippenstal zal ik een licht branden. 
Zo geschiedde. De mens at aardbeien 
toen het sneeuwde, en eieren op de kortste dag.
Weer werd het avond en morgen: de derde dag.

De mens sprak: Mijn tuin gehoorzaamt mij 
het hele jaar, maar werkt slechts half zo hard als ik. 
De trage planten voeden zich met trage aarde. 
De dieren groeien traag zoals de planten die ze eten. 
Laat er kunstmest en krachtvoer zijn!
En er was kunstmest en krachtvoer. 
De planten en dieren versnelden hun groei. 
En de mens zag dat het goed was.
Weer werd het avond en morgen: de vierde dag.

De mens sprak: Laat mijn tuin vruchtbaar zijn 
wanneer ík het wil. Want de planten en dieren
planten zich lukraak voort, zonder te denken
aan mijn behoeftes. Ik moet pasgeboren kalfjes 
weghalen bij de koe, ik moet kippen van hanen scheiden.
De planten zal ik zaadloos vermenigvuldigen 
en het zaad van stieren zal ik opvangen. 
Zo zal geen kalf geboren worden buiten mijn wil.
Aldus geschiedde. En de mens zag dat het goed was.
Weer werd het avond en morgen: de vijfde dag.

De mens sprak: van de wieg tot aan het graf
zijn dieren en planten gehoorzaam aan mij,
maar in het zaad dat zij verspreiden 
huist de anarchie. Het mengt zich naar eigen aard 
en waait de tuin uit. Ik zal het zaad openbreken 
en veranderen. Het zal míjn zaad zijn. En het zaad 
van dit zaad, en alles wat groeit uit dit zaad, alles 
zal van mij zijn, van generatie op generatie. 
Aldus geschiedde. En de mens zag dat alles,
wat hij gemaakt had, zeer goed was. 
Zo werd het avond en morgen: de zesde dag.

Nu was de tuin van de mens voltooid.
En toen hij op de zevende dag al het werk zag, 
dat hij verricht had, rustte hij uit. Hij rustte uit 
en keek uit over zijn tuin, terwijl hij pitloze druiven at.
Hij dronk melk van koeien met ontstoken uiers.
Hij zag kale kippen en varkens met afgebeten staarten.
Hij zag de bijen bij zwermen sterven in zijn tuin.
Lang keek hij om zich heen. En hij zag – Goed, 
zei hij. Goed. Het was het experiment waard. 
Jammer. Helaas. Morgen begin ik opnieuw.
Maandag. De derde week. Het is nog altijd lente.

Met dank aan Sandra van Kampen en Youetta Visser, die dit gedicht opnamen achterin hun boek ‘VOER’.  

Sorry, het reactieformulier is momenteel gesloten.

Share This