jun 172018
 

In slechts één bladzijde wist Platform ABC op plastische wijze fundamentele kritiek samen te vatten op de doelstellingen van de EU Commissie die onlangs gepubliceerd werden. Zie hieronder. Deze kritiek werd op 12 juni opgepakt door Esther Ouwehand (P vd Dieren) in het Algemeen Overleg van de Commissie Landbouw en Visserij van de Tweede Kamer . 

Er is een gesprek met minister Schouten toegezegd. We zullen vragen ook ambtenaren van Buitenlandse Zaken voor Buitenlandse Handel uit te nodigen; Ouwehand was de enige die terecht wees op grote invloed van het vrijhandelsbeleid op het GLB.
 
Naast Ouwehand waren aanwezig:  De Groot D66 (voorzitter van de commissie), Bisschop SGP, Weverling VVD, Futselaer SP, Geurts CDA, Moorlag PvdA, Bromet GroenLinks ( opvolger van Grashoff; zij was fractiemedewerker landbouw 2010-13), Dik-Faber ChristenUnie en Madlener PVV.
 
Schouten gaat uiterlijk 13 juli een ‘BNC Fiche‘ schrijven (= Beoordeling Niuewe Commissie voorstellen). We zullen dat afwachten voor we op gesprek gaan; wel vóór 6 september, want dan wordt deze reactie van Schouten besproken in de Tweede Kamer. Dan zal  meer in detail worden ingegaan op het nieuwe GLB.
 

Hieronder onze óne-pager’ ‘one-pager’ Practise what you preach Daarnaast stuurden we ook alternatieven ABC voor CAP 2021-2017 mee (4 bladzijdes, Nederlands)

 

      EU Commission: practise what you preach! 

The new CAP (Common Agricultural Policy for Europe 2021-2027) has now, summer 2018, been outlined. As a platform of       farmers’ organisations and sympathisers who advocate an ecologically and economically viable agricultural sector we want to express our amazement and concern at the INCOHERENCE of the Commission’s objectives:

  • How on earth can we, farmers, acquire a ‘viable farm income and become more resilient to support food security’ while the Commission sticks to the current free market ideology, i.e. worldwide competition leading to rock-bottom volatile farmgate prices instead?
  • How on earth can we farmers ‘increase competitiveness and enhance market orientation’ even further, while the EU presents us with uneven playing fields by allowing imports from third countries that are produced at lower environmental and health standards? Why should the EU sheepishly follow the WTO in this respect, and sign treaties like CETA, TTIP and Mercosur?
  • How on earth can our ‘position in the value chain be improved’ as long as big firms are allowed to monopolise world markets and squeeze the last drop out of us? As relatively small and numerous suppliers of raw materials we are positioned at the very beginning of supplychains in which considerable value is added in processing and trade. The EU shirks it responsibility and does not allow us to really strengthen our position.
  • How on earth can we ‘contribute to climate change mitigation and adaptation, as well as sustainable energy’ when our first concern is to stay in business? As a result of the ‘free’ market ideology (free for whom?) we have to deal with bottom prices only slightly alleviated by EU income support.
  • How on earth can we ‘foster sustainable development (in countries in the South) and efficient management of natural resources’ in view of the EPA agreements forcing these countries to open their markets, so that (supported) EU Agricultural imports push them from their own markets? This leads to numerous jobless youngsters fleeing to Europe.
  • How on earth can we ‘contribute to the protection of biodiversity and preserve habitats and landscapes’ (and carefully restore our soils and biodiversity, for we don’t want a Silent Spring), if we have to work very long hours using every square yard of our fields just to make a decent living? This is due to the low prices for our products and the ever rising prices of farm inputs.
  • How on earth can we ‘attract young farmers and facilitate business development’ while our sons and daughters see with their own eyes how their parents are toiling away at the daily work on the farm and at their struggles with the bank?
  • How on earth can we ‘promote employment, growth, social inclusion and local development in rural areas’ as long as farmgate prices are below real production costs? No wonder rural areas are emptying and local development is stagnating; the ‘free’ market ideology is geared to international and not to regional trade.
  • How on earth can we ‘improve the response of agriculture to societal demands on food and health, as well as animal welfare’ when food from third countries not meeting EU standards can freely enter the EU, and when supermarkets use our excellent products to entice their customers to their shops to buy mostly cheap processed foods causing obesity, diabetes and high blood pressure? 

We demand a long overdue transition to a COHERENT farmer- and climate-friendly economic system.

Europe is in a unique position to start moving away from the ‘free market ideology’ which is geared to the interests of the big food monopolies and the land investors. Instead Europe should be brave enough to lead the way to                                                      modern  ways of market regulation which put                                   the farmer and the climate in first position.

jun 172018
 

De eerste pleisterplaats was Den Haag. Zie hier een indruk. Do. 21 t/m zaterdag 23 juni gaan boeren en burgers in gesprek in Dordrecht, Rotterdam en op boerderij Landzicht, rondom de voorstelling ‘Koning van het grasland’, en Amsterdam bruist za. 23 en zo. 24 juni van de voedsel-aktiviteiten:

‘In de prachtige zalen van het Koninklijk Instituut voor de Tropen in amsterdam  organiseert ‘Voedsel Anders’ een brede en interactieve bijeenkomst om elementen aan te dragen voor een concreet en ambitieus Amsterdams voedselbeleid. Dat doen we in het ‘We Feed the City’ event, dat valt in het vijfdaagse ‘We Make the City’ festival. We gaan plannen en praktische ideeën uitwisselen over een gezonde voedselomgeving, bevorderen van korte ketens, stadslandbouw en groen in de stad, voedseleducatie, compostering, tegengaan van voedselverspilling en zorgen dat het voedsel dat we van ver weg halen op duurzame en eerlijke wijze wordt geproduceerd.  Bekijk het programma en volg de updates op Facebook.’

Daarna volgen nog: 

17 en 18 augustus  Dronten, Roggebotstaete
22 september  Barneveld
29 september Wageningen centrum (ovb)
4 oktober  Nijmegen Landgoed Grootstal
27 oktober Venlo (voor Noord-oost Brabant en Noord-Limburg)

 

(voor meer over de programma’a zie website)

Overal gaan we waaardevolle verhalen ophalen waar we iets aan hebben voor de voedseltransitie. (Hoe ziet ‘voedsel Anders’ die transitie? Zie het Voedsel Anders manifest.)

Op veschillende pleisterplaatsen wordt gesproken over een nieuwe gemeentelijke voedselstrategie. Handig dat Voedsel Anders al 10 suggesties heeft gedaan om de lokale discussie te stimuleren. Aan de foodies om dit op te pakken!

 

 

jun 162018
 

De recent door LTO overgenomen definitie van ‘grondgebondenheid’  gaat voorbij aan de samenhang tussen bodem, gewas, dier en mest die juist centraal zou moeten staan in een duurzame melkveehouderij. Als alternatief stellen melkveehouders vanuit Netwerk GRONDig een gedifferentieerd beleid voor: verschillende regels voor melkveehouders die daadwerkelijk grondgebonden zijn en voor de zeer intensieve bedrijven die dat niet zijn.

De Commissie Grondgebondenheid, ingesteld door de LTO en de Nederlandse Zuivelorganisatie, bracht op 12 april 2018 haar rapport uit getiteld: ‘Grondgebondenheid als basis voor een toekomstbestendige melkveehouderij.’ Melkveebedrijven moeten volgens de commissie in 2025 minimaal 65% van de eiwitbehoefte van eigen land of van land uit de buurt halen. In 2040 zou de melkveehouderij volledig grondgebonden moeten zijn.

Focus op samenhang

Het Netwerk GRONDig is een belangenorganisatie voor de grondgebonden en biologische melkveehouderij. Netwerk GRONDig is 3 jaar geleden ontstaan uit de VBBM (Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu,) die samen met de milieucoöperaties Vel en VANLA en de Noordelijke Friese Wouden al meer dan 20 jaar bezig is met kringlooplandbouw. Grondgebondenheid is daarin een van de speerpunten. Voedsel Anders* en diverse boeren- en natuurorganisaties ondersteunen dit werk van harte.

In een reactie toont netwerk GRONDig zich positief over de aanbeveling van de Commissie om de import van soja af te bouwen, alhoewel de einddatum van 2040 niet ambitieus genoeg is.  Het meest problematisch is echter de eenzijdige nadruk die de Commissie legt op de voorziening van de eiwitbehoefte van de koeien met ‘lokaal’ rantsoen. Deze technocratische benadering brengt de definitie van grondgebondenheid terug tot 1 technisch eiwitdetail. Dit doet geen recht aan de samenhang tussen bodem, gewas, dier en mest die zo essentieel is voor de grondgebonden melkveehouderij.

Te vrezen valt dat daardoor:

  • kunstmest maximaal zal worden ingezet om zoveel mogelijk eiwitrijk gras te oogsten;
  • gevarieerde, kruidenrijke graslanden worden verdrongen door monoculturen van eiwitrijke graslanden, met alle nadelen van dien voor de weidevogels, de biodiversiteit en de gezondheid van koeien;
  • de weidegang terug zal lopen, omdat een deel van de melkveehouders prioriteit zal geven aan het gelijkmatig, machinaal en maximaal bemesten van grasland om zo de graseiwitproductie te maximaliseren (dit wordt mede in de hand gewerkt doordat de Commissie de weidegang niet verplicht wil stellen);
  • meer mais en andere energierijke veevoeders voor de koeien van grote afstand zullen moeten worden aangevoerd.

 

Grondgebondenheid: kringloop en samenhang met leefomgeving

‘Grondgebondenheid’ is een sleutelbegrip in het streven naar een duurzame melkveehouderij. Het verwijst naar een serie onderling samenhangende balansen. Tussen de hoeveelheid voer die op het boerenbedrijf is geproduceerd en het aantal koeien dat wordt gehouden. Tussen het soort voer en de voederbehoefte van de dieren. Maar ook tussen de hoeveelheid (en kwaliteit van de) mest en de oppervlakte grond waarover het bedrijf beschikt en tussen het opnamevermogen van de planten en de hoeveelheid en samenstelling van de mest. In meer algemene zin heeft de grondgebondenheid ook nauwe relaties met landschap en biodiversiteit, als ook met de kwaliteit van het lucht, grond- en oppervlaktewater. En uiteraard is er de kwestie van eventuele stank. Grondgebondenheid is ook een omstreden begrip. LTO en kringloopboeren verschillen bijvoorbeeld van mening over het schaalniveau waar het op moet worden toegepast en over de termijn en de manier waarop het kan worden bereikt.

Op 19 maart 2018 presenteerde het Netwerk GRONDig een eigen definitie Grondgebonden Melkveehouderij aan Kamerleden van de commissie LNV, die de overgrote meerderheid van nu al grondgebonden bedrijven past. Daarin staan de kringloop op bedrijfsniveau en de samenhang met de omgeving centraal. Volgens deze definitie is een bedrijf grondgebonden als de fosfaatproductie van de veestapel gelijk of kleiner is dan de plaatsingsruimte voor fosfaat (mest) op het individuele bedrijf. Bedrijven die net niet grondgebonden zijn, kunnen gebruik maken van andermans grond om toch voldoende plaatsingsruimte te creëren. Alle grond (in eigendom of pacht) binnen een straal van 20 kilometer van de bedrijfsgebouwen van het melkveebedrijf kan hiervoor worden meegeteld. Deze definitie van Netwerk GRONDig werd opgesteld door vertegenwoordigers van de melkveesector; milieu –en natuurorganisaties; dierenwelzijnsorganisaties en onderzoekers.

 

Staarten en hectares tellen

Ruwweg gesproken is zo’n 55% van de Nederlandse boerenbedrijven nu al grondgebonden. De stromen die gaan van het dier, via de mest, naar de grond en van de grond, via het voer, weer naar het dier zijn in evenwicht en vormen een goed uitgebalanceerde kringloop. Door relatief geringe aanpassingen kan nog eens 25% in een periode van zo’n drie jaar zo’n evenwicht bereiken. De resterende 20% zijn de intensieve bedrijven met veel koeien en, verhoudingsgewijs, weinig grond. Het zijn vrijwel altijd de grootschalige, sterk gespecialiseerde bedrijven – de bedrijven ook die de afgelopen jaren een flinke groeispurt hebben ingezet waardoor er op nationaal niveau sprake is van een enorm milieuprobleem.

In Nederland tekenen zich nu twee kampen af. Het advies van de Commissie, overgenomen door LTO, tracht grondgebondenheid zo te definiëren dat de zeer intensieve bedrijven ermee uit de voeten kunnen en stelt voor alle melkveehouders hetzelfde stramien voor. GRONDig en andere boerenorganisaties pleiten echter voor apart beleid voor intensieve en extensieve bedrijven. Voor het deel van de melkveehouderij dat intensief blijft produceren, omdat de ondernemer daarvoor kiest of vanwege de lokale omstandigheden, zou een strenger regime op basis van onder meer milieu- en mestregelgeving moeten gelden. Daarentegen zouden de regeldruk en wetten voor grondgebonden (extensieve) moeten afnemen. Een dergelijk beleid doet meer recht aan de verschillende bedrijfstypen die bestaan binnen de gangbare landbouw in Nederland, en zou melkveehouders een duidelijke prikkel geven om grondgebonden te worden.

“Grondgebonden betekent staarten en hectares tellen, oftewel een balans vinden tussen mestplaatsingsruimte en ruwvoerwinning op bedrijfsniveau”, stelt het Netwerk GRONDig. “Dat is werkbaar, duidelijk en fraude-ongevoelig. Dat is circulair en dus toekomstbestendig, natuur-inclusief, maatschappelijk verantwoord, milieutechnisch duurzaam en economisch rendabel”.

Op 18 mei stuurde minister Carola Schouten een reactie op de definitie van netwerk GRONDig naar de Tweede KamerIn de zomer van 2018 publiceert zij een Toekomstvisie op basis van een “fundamentele herbezinning op het mestbeleid met minder regeldruk en lasten voor zowel de boer als de overheid”.

Met dank aan Voedsel Anders, ook voor de foto.

jun 052018
 

Milieudefensie is de boer op geweest! Als resultaat ligt er een online boek met veel verhalen: ‘VAn Erf tot Erf – interviews met boeren’. Volg de link en je kunt het downbloaden.

Er is zowel met gangbare als met biologische boeren gesproken. Elk verhaal is interessant. Samen bieden de verhalen een mooi overzicht van het boerenwerk en het boerenleven.

Inhoud: 

  • 11 gesprekken met akkerbouwers, 
  • 27 met rundvee-houders
  • 2 met  pluimvee-houders
  • 3 met varkenshouders
  • 1 gemengd bedrijf
  • 15 ‘overig’, nl de volgende lijst:

– Stadsboerderij Almere verbindt boer, burger en natuur 67        – –     – – Klassieke varkensboer wordt duurzame viskweker 68
– Van melkveehouderij naar boerderijcamping met terras en escaperoom 69
– Voortschrijdend inzicht 70
– Hoe een Ikea-order het roer deed omgooien 71
– Wout verruilde zijn kantoorbaan voor 70 groentebedden 72
– ‘Ik ben behalve boer in feite ook slager’ 73
– Boer M. ziet het niet meer zitten 74
– Stedeling zoekt tuinder 75
– Een boerenbedrijf is als een orkest: alles moet in harmonie zijn 76
– De Nieuwe Ronde: een zelfpluktuin is het nieuwe werken 77
– Zorgboer Dirk-Jan ziet de toekomst met vertrouwen tegemoet 78
– Het is een beestenboel op Kloosterhof 79
– Er hangt een prijskaartje aan! 80
– Wat een schapenvacht te maken heeft met bloeiend duizendguldenkruid 81
– De consument geeft de Nederlandse boer een dikke voldoende 82

 

mei 192018
 

….met rampzalige gevolgen voor plaatselijke herders en veeboeren.

Zuivel-multinationals misbruiken de record-lage prijzen om uit te breiden op de West Afrikaanse markt. In vijf jaar tijd hebben ze hun export naar de regio verdriedubbeld. Ze verschepen de melkpoeder van gesubsidieerde Europese boeren en zetten die om in vloeibare melk voor de welvarende middenklasse van de regio.  Dus nu hoor je  weer de beschuldigingen (o.a. van Kofi Annan) dat arme landen de rekening betalen voor landbouwbeleid uit Brussel. Dit terwijl Brussel claimt dat het de ontwikkeling in Afrika bevordert, en daarmee  migratiestromen wil indammen. 

Europese druk op de zuivelproducenten van Afrika nam toe in 2015, toen de EU het melkquotum ophief. Bovendien had Rusland een embargo ingesteld op Europees voedsel, dus Europa verzoop in de melk. De groeiende bevolking van West Afrika was een voor de hand liggende bestemming. Tussen 2011 en 2016 ging de export naar West Arika van 12,900 ton naar 36,700 ton — vooral naar zuivelfabrieken in Senegal, Ivoorkust, Ghana en Nigeria, die op hun beurt de zuivel exporteren naar hun buurlanden. 

Bedrijven zoals  Nestlé en Friesland Campina zijn allebei al jaren in de regio gevestigd. Zij hebben allebei flink geïnvesteerd in de regio vóór het melkquotum werd afgeschaftFrieslandCampina nam in 2014 een melkpoeder fabriek over in Ivoorkust, en Nestlé bouwde in het zelfde jaar een nieuwe fabriek in Ghana. Verder betreft het Arla Foods — een Deense coöperatie met jaarlijks 10 miljard euro aan inkomsten. – en het Franse Danone , dat eerst 49% aandelen kocht in Fan Milk, met fabrieken in 6 West Afrikaanse landen, en daarna in 2016 het hele bedrijf overnam. 

De FAO heeft onderzocht dat binnenlandse melk in Senegal ongeveer  $1 per liter kost, terwijl melkgemaakt van magere melkpoeder ongeveer de helft kost. Alle EU zuivelbedrijven in West Afrika zeggen dat ze samenwerken met lokale partners, maar de plaatselijke bevolking doet dat af als ‘window dressing’. Het klinkt wel mooi in Europa, zegt Adama Ibrahim Diallo, de voorzitter van Burkina Faso’s zuivelproducenten, maar ze komen omzaken te doen— niet om onze producenten te helpen. 

Experts waarschuwen dat de lokale zuivelindustrie dreigt te verzuipen in de recente melk-vloed, waardoor de regio nog afhankelijker wordt.  Diallo zei dat de boeren in zijn regio het een voor een opgeven.  De verwerkers kregen eerst 300 liter per dag, nu slechts 200  liter. Hij waarschuwt dat de veiligheidssituatie verslechtert. ‘De zonen van rondtrekkende veeboeren herders worden jihadisten – niet uit overtuiging maar omdat er geen banen zijn’

Dit is pijnlijk voor Brussel. Europa heeft de zwaar bekritiseerde exportsubsidies in 2015 afgeschaft. (redactie: maar dan zijn er nog de subidies-per-boer. De EU en de VS ontkennen dat zij subsidie geven. Ze hebben  jaren geleden bedongen in de WTO dat hun subsidies slechts ‘inkomenssteun’ zijn. What’s in a name? Het punt is dat de Europese boeren hierdoor onder de kostprijs produceren.) 

In februari 2018 richtte Commissaris Phil Hogan nog een task force op om Afrikaanse regeringen van advies te dienen op het gebied van landbouwbeleid, en om Europese bedrijven te helpen met ‘verantwoordelijk’ investeren. DE EU helpt ook met de aanleg van infrostructuur. Hij zei dat Burkina Faso tarieven kon instellen om de import af te remmen. ( Redactie: Dit is voor ons niet duidelijk. Afrikaanse landen zijn in een keurslijf van EPA verdragen geprest; Economic Partnership Agreements. Landen ‘mogen ongelimiteerd exporteren naar Europpa’ (red.: ze hebben niet veel om te exporteren!), maar dan moeten ze ook hun grenzen openstellen voor Europese producten – en die hebben véél te exporteren. Een ongelijk speelveld dus. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Kenia heeft een uitzondering gemaakt voor zuivel, daar zit een hoog importtarief op. De Keniase zuivelindustrie is dan ook een van de paradepaardjes van de Keniase economie. Burkina Faso heeft blijkbaar een andere keuze gemaakt w.b. importtarieven.) 

Meer melk, meer markten

Bodemprijzen hebben de export uit Europa met 38 % opgekrikt in 2017. Magere melkpoeder kostte begin 2014  €3.30 per kilo en €1.70 in hetzelfde jaargetijde in 2016. Daarna is de prijs afgegleden naar €1.30 afgelopen maart. De kopers zitten in landen met een tekort aan zuivel zoals China, maar de effecten worden ook gevoeld in kleinere markten zoals West Afrika

Zie de link hieronder voor het volledige artikel in ‘Politico’, waar ook diagrammen in staan. Arla en Friesland Campina en de RABO bank praten daarin  hun beleid goed. 

uit Politico,  EU’s milk scramble for Africa, door    

foto’s:  Getty images.

Milk products from Jaboot, a Senagalese dairy, in a Dakar storeroom | Seyllou/AFP via Getty Images

 

 
mei 182018
 

Ter gelegenheid van de FAO conferentie afgelopen april is er weer een interessante ‘Farming Matters’ verschenen. In deze uitgave worden verschillende ervaringen met agro-ecologie besproken die aantonen dat vooral met agro-ecologie minstens 11 van de 17 nieuwe SDG’s haalbaar zijn. (SDG = Sustainable Development Goals, de nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen). In een inleiding wordt daar wel aan toegevoegd: als we die doelen willen halen kunnen we niet de technologie en  de markt voorop blijven stellen, alsof de natuur een onuitputtelijke bron is en tegelijkertijd een eindeloos afvalputje. Er zijn nieuwe internationale afspraken nodig waarin de ecologie en de economie met elkaar verzoend worden. 

We geven enkele voorbeelden en eindigen met een artikel over Nederland, nl over de Noordelijke Friese wouden. 

China

Binnen slechts 10 jaar is csa (Community Supported Agriculture; samenoogst-tuinen) heel populair geworden in China. Chinese consumenten, vooral de middenklassen, zijn bezorgd om hun voedsel en op zoek naar nieuwe voedselsystemen, nu er minder ‘van thuis’ wordt opgestuurd en straathandel vervangen wordt door supermarkten. In 2008 begon Shin Yan met een csa tuinderij, nadat ze er in Minnesota kennis mee had gemaakt. Ze startte in samenwerking met haar universiteit in Bejing en het regio-bstuur ‘Little donkey farm’ (www. littledonkey. com). Geen chemische input (zeer ongewoon in China). Klanten kunnen meewerken, of (en dan betalen ze iets meer) hun pakket afhalen, of ze krijgen het thuisbezorgd. In november 2015 waren er al 500 csa groepen. Jonge mensen zijn blij met het voedsel maar ook met de rust van het platteland want ze zijn gedesillusioneerd over de ‘bright lights’ van de grote stad. Sommige geven een vaste baan op om naar het platteland tegaan, en voor de dorpen is het een uitkomst. 

Jan Douwe van der Ploeg, tegenwoordig professor aan de landbouwuniversiteit van Bejing, voegt daar aan toe:  China heeft meeer dan 200 miljoen kleine bedrijven (gemiddled slechts 1/3 ha.!)  waarop 800 miljoen mensen werken. Van slechts 10% van alle landbouwgrond in de wereld leveren zij 20% van alle landbouwproducten van de wereld.  De boeren leveren aan een fijnmazig netwerk van voedselmarkten die onderling verbonden zijn: een markt in Bejing waaraan elke dag 30.000 ton groenten en fruit geleverd wordt; nieuwe ontwikkelingen zoals een markt voor biologisch voedsel of voor ‘groen’ voedsel (minder strenge eisen); de traditionele (eigenlijk agro-ecologische) markt; de markt voor agro-toerisme;  nieuwe ‘korte ketens’  (webshops, csa’s , stadslandbouw etc.) Regelmatig worden markten in de steden  opgeheven maar in totaal heeft China nog steeds veel meer markten dan Europa. China is zelfvoorzienend wat voedsel betreft. 

New York

Het drinkwater raakte vervuild en er bleken ziektekiemen in te zitten. De Catskill Hills, die jaren geleden goed water leverden, raakten bebouwd, de veedichtheid nam enorm toe, etc. De stad stapte op de boeren af en stelde eisen, maar de boeren zetten zich schrap omdat  hun bedrijfsvoering ondermijnd werd.  De stad ging haar huiswerk over doen. In overleg met de boeren werd een herstelprogramma opgesteld, waarbij ook de boeren ondersteund werden. Nu is er zelfs een ‘korte keten’ op gang gekomen: er wordt rundvlees, groenten en hout geleverd aan de stad onder het merk ‘Pure Catskills’. 

Ethiopië

Hier begon een agro-ecologisch initiatief in 1995 in Tigray. Het begon met 4 dorpen waarin 3 stukken land verschillend werden behandeld: met compost, met kunstmest en een controle-veld. Er werd ook geëxperimenteerd met waterbesparende maatregelen en de aanplant van gras en bomen om meer biomassa te krijgen. Daarna werd het experiment opgeschaald naar 83 dorpen en daarna naar het hele Tigray gebied. Inmiddels doen 93,000 boeren mee, gesteund door Rothamstead Research Station in Engeland. Het grootste probleem is dat grote bedrijven en ‘weldoeners’ zoals Bill Gates de industriële landbouw blijven steunen die zwaar leunt op inputs van buitenaf. 

Argentinië

In Rosario (33 km ten N van Buenos Aires) startten in 2001 een aantal stadstuinen. Het was het jaar van de economische crisis; 60% van de bevolking verarmde. Inmiddels zijn er 600 groepen van ongeveer 10 personen. De stad heeft braakliggend land veranderd in moestuinen en werklozen in boeren. Er zijn meer dan 1500 boeren opgeleid als stadsboeren. Bovendien zijn nog 24 ha ‘ongebruikt’ land ter beschikking gesteld aan gezinnen. Er werd een beleid opgesteld voor voedselproductie in achtergestelde stedelijke buurten, daarin wordt uitgegaan van de agro-ecologische aanpak. Er wordt ook samengewerkt met de universiteit. Er zijn vier agro-industriële verwerkingsbedrijven diedoor boeren geleid worden.  65% van de producenten zijn vrouw. 

Nederland

In 1980 was het duidelijk dat de industriële landbouw ten koste ging van de natuur. De EU stelde richtlijnen op om de uitstoot van ammonia terug te dringen en natuurgebieden te beschermen.

Boeren in de Noordelijke Friese Wouden wilden hun bedrijven niet vergroten.  Zij hadden kleinschalige melkveebedrijven met heggen en elzenbosjes en poelen er omheen. In de Europese richtlijnen werden alle heggen ‘gevoelig voor zure lucht’ genoemd, en in de buurt van heggen kon men niet veel landbouwpraktijken uitoefenen. Boeren van het gebied kwamen bij elkaar om hiertegen te protesteren. Zij konden het stedelijk en regionaal bestuur ervan overtuigen dat hun manier van landbouw bedrijven juist goed was voor die heggen. In ruil voor het onderhoud van heggen, elzenbosjes , poelen en zandwegen werden zij vrijgesteld van de nieuwe regels. 

Zij richtten coöperaties op, en daarna een overkoepelende organisatie: de coöperatie NFW (Noordelijke Friese wouden), waar nu meer dan 100 veeboeren bij aangesloten zijn. Zij experimenteerden met agro-ecologische praktijken zoals kringloop landbouw, en ze weigerden te voldoen aan de eis om mest te injecteren omdat de machines duur zijn en te zwaar voor hun natte land en omdat het de grond vervuilt. Ze kregen daarin een uitzonderingspositie. Ze bepleitten boeren-agroecologie tot op het Europese niveau. 

De boeren werken samen met milieubeschermers en met onderzoekers uit Wageningen, maar het onderzoek is praktisch, op boerderij-niveau. ‘Kringlooplanmdbouw’ is de naam voor de methode die zij voorstaan. 

Nadat hun aanpak erkend werd, werden elders in Nederland ook gebiedscoöperaties oopgericht, en 5% van alle veeteeltbedrijven  werd kringloopberdijf. Adviesdiensten en dierenartsen bevelen nu meer vezels in het voer aan, en zuivelverwerkers erkennen dat de kwaliteit van de melk in kringlooplandbouw hoger is. Tot nu toe kregen alleen milieu-organisaties subsidies voor natuur- en landschapsonderhoud, maar nu belonen nieuwe regels die voorgesteld worden voor het GLB de boeren voor diensten die zij aan de maatschappij verlenen, bijvoorbeeld natuuronderhoud en bevordering van de biodivesiteit. Dit zijn belangrijke stappen in de richting van een agro-ecologische transitie, wat een lonkend perspectief is voor boeren die niet willen of kunnen doorgaan in de industriële landbouw in nederland. 

(Voor dit stuk is geput uit een bijdrage van Leonardo van den Berg aan deze ‘Farming Matters’)

Hier het volledige nummer van Farming Matters. Het blad is vorig jaar opgeheven, maar het ‘Agricultures Network’  blijft bestaan en er wordt gewerkt aan de vernieuwing van dit blad en van de gerelateerde tijdschriften voor Brazilië (Portugees), Latijns Amerika (Spaans) , India (Engels) en Ethiopië (Amhaars) en West  Afrika (Frans) . Het ‘agricultures network’ biedt online artikelen. Hier kun je je inschrijven  (hoewel de link nu – hopelijk tijdelijk – niet werkte).

mei 072018
 
De Bretonse boer Jean-Bernard Huon zoekt een opvolger, die de boerderij gratis en voor niks mag overnemen! Op één voorwaarde: hij of zij moet op dezelfde manier blijven werken als Huon dat al 70 jaar doet.
 

De BBC ging bij Huon en zijn vrouw op bezoek en maakte een filmpje van de karakteristieke boer die al 70 jaar op dezelfde manier zijn land bewerkt. Dat betekent dat hij geen gebruik maakt van moderne technologieën. Hij heeft zelfs geen tractor, maar bewerkt het land met ossenkracht. Met zijn ossen ploegt hij het land, de pootaardappelen gaan één voor één de grond in en de koeien melkt hij met de hand. Kunstmest? Welnee, de mest van zijn eigen dieren voldoet uitstekend.

Huon realiseert zich dat hij wel een beetje “buiten de normen” valt maar ziet geen noodzaak om zijn werkwijze aan te passen. Het is goed leven zo, zegt hij. Hij verkoopt zijn boter, varkens- en kalfsvlees rechtstreeks vanaf de boerderij. Geïnteresseerd?

Gratis weggeven van je bedrijf is een originele oplossing voor een al langer bestaand probleem: het ontbreken van een bedrijfsopvolger. Ook in agrarisch Nederland een veel voorkomend probleem, schrijft Cor Pierik in een blog op BoerenBusiness. Volgens het CBS heeft 60% van de boerderijen waar het bedrijfshoofd 55 jaar of ouder is, geen bedrijfsopvolger. De komende 10 jaar zullen 15.000 boerenbedrijven een besluit moeten nemen over hoe ze verder gaan.

 
 
In ‘Genoeg is Beter’, het ledenblad van de Nderlandse Akkerbouw Vakbond, komt deze deze keer iemand uit het oprichtingsjaar (25 jaar geleden, 1993) aan het woord: oud-bestuurslid en kaderlid Henk Nienhuis uit Odoornerveen. Henk is 74 jaar, heeft geen kinderen maar werkt nu sinds kort in maatschap met één van de jongens die al van jongs af aan meeliep op het veenkoloniaal akkerbouwbedrijf.
 
Henk: De landbouw wordt steeds grootschaliger wat niet altijd een goede
ontwikkeling hoeft te zijn, met name voor het familiebedrijf. Omdat door de ontwikkelingen (bijv. big  data en reclames over slim boeren) aan de  hand van specialisatie en het management het bedrijf steeds meer een verkeerstorenachtige functie krijgt. Van achter je pc het bedrijf en de gewassen aansturen via drones, luchtfoto’s voor bemesting en bespuitingen,en straks met zelfrijdende tractorenen landbouwmachines op een steeds groter areaa werken. Zo kun je als akkerbouwer al snel de binding met je bedrijf kwijt raken, en bepalen data en high technologie de  voedselproductie. Het allround boerenvakmanschap wordt specialisme, en boerengezinsbedrijven worden kapitaalintensievemini-multinationals. Toch ben ik ervan overtuigd dat binnen de plantaardige landbouw het gezinsbedrijf nog een goede toekomst heeft. Daar is een grondige belangenbehartiging voor nodig. Daar is de NAV voor nodig.’
 
Welke weg zijn opvolger zal inslaan lezen we niet, maar met 50 ha. zal dat waarschijnlijk niet de ‘verkeerstoren’- manier zijn. 
 
Allebei boeren die kozen voor ‘maat houden’. 
 
DE technologie gaat hard in Nederland. Een ‘Hollandse’ ontwikkeling is gewassen telen zonder grond: ‘vertical farming’. In het programma Tegenlicht van 6 mei kwam het bedrijf ‘GROWx’ in beeld. Planten groeien onder ledlicht, maar het bedrijf is in een cruciale fase: gaan ze het redden, kunnen ze hier inkomens uit halen? Ze zoeken dringend nieuwe investeerders. Twee mensen uit Zuid-Limburg dachten te hulp te schieten met de door henzelf gemaakte machine waarmee de processen nog efficiënter via de computer en apps aangestuurd kunnen worden, maar een van de oprichters van GROWx, John Apesos, heeft er een hard hoofd in.
 
Wordt deze ontwikkeling richtinggevend? Nu de helft van de mensen in steden woont zal het – áls het systeem lonend wordt – misschien navolging vinden, hoewel je je kunt afvragen of de groenten echt de kwaliteit hebben van wat buiten in de volle grond heeft gestaan.  (Zie ook ‘verticale kassen als oplossing?‘; verlies aan vitamines en mineralen in ons voedsel. Hoewel er geen onderzoek voorhanden is over de relatie tussen dit feit en de manier van telen. )
 
In elk geval is het duidelijk dat de jongere generatie voor moeilijke keuzes staat. 
 
foto credits: ‘Jean-Bernard Huon’, Lionel Rouanet, attelagesbovinsdaujourdhui
 
 
 
 
mei 032018
 

Op 5 april jl. ging het Ministerie van LNV in gesprek met belanghebbenden en geïnteresseerden over het nieuwe GLB. Het ministerie had daartoe vertegenwoordigers van de boerenorganisaties, maar ook van de vele natuur- en milieuorganisaties en onderzoeksinstellingen uitgenodigd. De vertegenwoordigers van boerenorganisaties waren veruit in de minderheid. Op zich ook wel tekenend voor het verwachte vervolg van het GLB-beleid. Het feit dat het hier gaat om ‘boerengeld’, oorspronkelijke inkomenscompensatie voor de liberalisatie van de markt, verdwijnt steeds verder naar de achtergrond.

In grote lijnen zijn de volgende tendensen te verwachten:

1. korting  an het GLB-budget (in verband met de Brexit en verhoging van de  veiligheidskosten = grensbewaking), hoewel met  name Duitsland en Frankrijk bij monde van de boerenorganisaties DBV en de FNSEA deze  kkorting willen voorkomen),

2. aftopping van de toeslagen per bedrijf, 

3. minder sturing vanuit Brussel op details van vergroening en meer op doelen per land

4 meer aandacht voor klimaatverandering in de vergroeningseisen.

De verwachting is dat er minder geld beschikbaar komt voor Nederland en dat er van dat geld meer besteed gaat worden aan het halen van natuur- en milieudoelen. Dus minder geld voor de directe betalingen. Daar tegenover staat dat minister Schouten van mening is dat wij, boeren, beter betaald moeten krijgen voor onze producten en dat zij daarom van mening is dat er in het nieuwe GLB betere mogelijkheden moeten komen om de positie van de boer in
de keten te versterken. ( Landbouwcommissaris Phil Hogan wil in het nieuwe GLB minder ver gaan in het voorschrijven van uitvoeringsregels. Daarvoor geeft hij wel meer speelruimte voor de landen, maar daarbij signaleert de NAV (Nederlandse Akkerbouw Vakbond) dat er risico ontstaat dat er nog minder sprake is van een gelijk speelveld in de EU.)

De voorzitter van de NAV schrijft: …. .. Nog even en de
interne Europese markt met vrij verkeer van goederen en personen is ter ziele….

Samenvattend ‘5 april’ was een bijeenkomst waarin de akkerbouw-belangenbehartiging een ongelijke strijd moest aangaan met vele natuur- en milieubelangen. Maar de minister liet in het licht van het boerenbelang een positieve indruk achter.

Inzet NAV
De NAV blijft van mening dat het GLB een wending naar een beter, dus hoger prijsniveau moet maken zodat de boeren een eerlijk inkomen uit
de markt kunnen verkrijgen. De Landbouwcommissaris doet daar wel een eerste aanzet toe door de mogelijkheden van horizontale samenwerking tussen boeren te verbeteren, maar de  vrijhandelsverdragen, waarbij wij hier in Europa de lage (goedkope) standaarden van bijvoorbeeld Oekraïne moeten aanvaarden, zijn daarmee in tegenspraak. Pas nadat een betere inkomenspositie en marktpositie van boeren zijn bereikt, kan er worden gesproken over korten of afbouwen van de bedrijfstoeslagen (= subsidie). .

 

 

 

 

mei 012018
 

Friends of the Earth Europe heeft een alternatief handelsbeleid uitgebracht. Een beleid met het klimaat als uitgangspunt, i.p.v. de ‘vrije’ markt waar de scherpste bieder wint.  Zie het rapport Setting course for Sustainable Trade 1

Er worden 7 maatregelen voorgesteld; ze volgen hier onder. 

Uit het voorwoord: 

De wereldhandel is tussen 1950 en 2010 met een factor 32 vermenigvuldigd. Dit heeft bijgedragen aan de welvaart en verbeterde levensomstandigheden, maar dit is zeer ongelijk verdeeld en heeft geresulteerd in grote ongelijkheid, minder democratische controle, steeds sterkere multinationals, en meer uitstoot van broeikasgassen (in 2011 veroorzaakte de wereldhandel een kwart van de CO2 uitstoot. )

Handels- en investeringregels belemmeren de pogingen om fossiele brandstoffen in de grond te laten zitten: een groot deel van de 800 investeringsgeschillen gaan over geschillen m.b.t. het klimaat en het milieu. (denk aan fracking in Canada, strengere regels voor kolencentrales en afbouw van atoomcentrales in Duitsland, en een rechtszaak over olievervuiling in het Amazonegebied in Ecuador. )

Oxfam berekende dat 8 mannen net zo veel bezitten als de 3,6 miljard armsten samen. De armste 10% zijn zelfs in inkomen achteruit gegaan. De hogere middenklassen in opkomende landen en de hele rijken hebben het meest geprofiteerd. De bedrijven hebben de controle over onze economiën en over de democratie overgenomen van regeringen, mede door de geschillencommissies die meestal in hun voordeel beslechten als er een verschil van mening is. Dan worden regeringen tot grote boetes veroordeeld, wat hen al bij voorbaat doet afzien van eisen aan bedrijven. 

Friends of the Earth doet 7 voorstellen om het volume van  internationale handel terug te brengen, maar wees niet bezorgd: er wordt een overgang voorgesteld van ongelimiteerde groei naar duurzame ontwikkeling. Sectoren die heilzaam zijn voor de maatschappij zullen kunnen groeien terwijl sectoren die buitensporige schade veroorzaken zoals de handel in fossiele brandstoffen en de intensieve veehouderij zullen gaan krimpen. Verschillende economen, zoals de Nobel prijs winnaar Joseph Stiglitz raden ons aan te focussen op binnenlandse investeringen.

Er moeten nieuwe verdragen worden opgesteld (zie punt 4) en de oude moeten fundamenteel worden herzien. 

Hier de 7 voorstellen: 

  1. Naar een milieuvriendelijke handel in ‘schone’ goederen en diensten Dat houdt in:

 

– geen handelsliberalisatie voor goederen en diensten die veel broeikasgassen uitstoten, en lagere importheffingen voor ‘groene goederen’, waarbij erop toegezien wordt dat producenten in het Zuiden niet teveel schade lijden. Regeringen kunnen tarieven instellen om de ontwikkeling van binnenlandse duurzame en klimaatvriendelijke industriën te stimuleren. 

koolstofbelasting heffen  op goederen die geproduceerd worden in landen die zich afzijdig houden van de internationale afspraken over tegengaan van de klimaatverandering (Koolstof Aanpassing aan de Grens). De inkomsten daaruit kunnen besteed worden aan de energie-transitie van landen die historisch gezien weinig uitstoten, om hun economie te vergroenen. 

belasting op uitstoot door  vlieg- en scheepvaartverkeer . Landen mogen belasting (blijven) heffen op milieuvervuilende procductie, ook op zulke goederen uit het buitenland.

– Geen subsidie meer voor fossiele brandstof of voor producten die een nadelige invloed hebben op de mensenrechten. 

2 naar duurzame investeringen

 

Buitenlandse investeerders en hun dochterondernemingen worden ‘economische inwoners’ van een gastland en moeten zich houden aan de wet w.b. milieuvervuiling, mensenrechten, landjepik en corruptie.

– Als ze zich daar niet aan houden zal Europese wetgeving zorgen voor rechtsbijstand . Op internationaal niveau gaan regeringen streven naar een bindend UN verdrag over mensenrechten en transnationale ondernemingen en andere bedrijven o.

– Handels- en investeringsverdragen geven geen rechten aan buitenlandse investeerders. zij moeten zich wenden tot binnenlandse gerechtshoven en moeten zich zelf verzekeren tegen investeringsrisico’s

Regeringen mogen eisen stellen aan buitenlandse investeerders , zoals: binnenlandse grondstoffen gebruiken, lokale werkers in dienst nemen, met lokale bedrijven samenwerken, en groene echnoggie overdragen.

– Internationale kapitaalstromen mogen effectief gemonitord en belast worden, zodat financiële crises voorkomen worden. 

– Handelsovereenkomsten moeten de harmonisatie van belasting voor bedrijven nastreven en een einde maken aan belastingontwijking, zodat de huidige ‘race to the bottom’ gekeerd wordt en binnenlandse en MKB bedrijven niet meer benadeeld worden.

3 hoge standaarden vastleggen om de mensen en de planeet te beschermen.

 

Samenwerking op het gebied van regelgeving moet een instrument zijn waarmee regeringen naar de hoogste standaarden op het gebeid van duurzaamheid  kunnen streven. 

– Het proces waarin die regelgeving wordt vastgesteld moet plaaatsvinden op een democratische en transparante manier, geleid door experts, buiten het handelsakkoord om, en onder toezicht van het parlement. 

– Het ‘voorzorgsprincipe’ (producten worden alleen toegelaten tot de Europese makrt als ze bewijsbaar veilig zijn) wordt expliciet vastgelegd in handelsovereenkomsten om het milieu, de gezondheid en de consumenten te beschermen. 

Samenwerking op het gebied van regelgeving moet vrijwillig zijn en kan niet voorgelegd worden aan geschillencommissies. Regeringen mogen in de toekomst strenger reguleren. 

4 ondersteuning van internationale overeenkomsten over klimaatverandering en duurzaamheid

 

– Handelovereenkomsten moeten bindende (green vrijwillige!) duurzaamheidsregels bevatten, die gelinkt zijn aan internationale overeenkomsten over arbeids- en mensenrechten, het klimaat en het milieu. Daar moeten toezicht ten sancties aan verbonden zijn, en ze moeten gepaard gaan met steun voor de toepassing in het Zuiden. 

Ondertekening en toepassing van belangrijke internationale verdragen moet een voorwaarde zijn voor deelneming aan handelsovereenkomsten. Binnenlandse wet- en regelgeving moeten aansluiten bij zulke overeenkomsten, en op score-kaarten worden de prestaties van de handelspartners op dit terrein bijgehouden. 

Geschillencommissies dwingen de naleving van de verplichtingen af. Hierbij wordt rekening gehouden met het ontwikkelingsniveau van de partijen. ‘Straffen’ moeten bijdragen aan herstel van de schade.

– Individuen, gemeenschappen, vakbonden en het maatschappelijk middenveld kunnen klachten indienen bij de Europese Commissie, die daarop onderzoek moet doen en in actie zal moeten komen. 

– Nieuwe handelsovereenkomsten moeten een veelomvattende uitzonderingsregel hebben voor beleid m.b.t. het algemeen belang, zodat dat niet geschaad kan worden door geschillen tussen staten onderling of in de WTO. 

– In geval van een conflict hebben internationale mensenrechten en klimaatverdragen etc. altijd voorrang boven handels- en investeringsverdragen. 

5 lokale en duurzame economiën bevorderen

 

– Nieuwe handelsovereenkomsten moeten duurzaamheidscriteria bevatten voor openbare aanbestedingen. (Dit kan niet onderhevig zijn aan geschillencommissies, zie regel 4)

– Nieuwe handelsovereenkomsten moeten ‘koop lokaal’ projecten  van overheden goedkeuren, zowel wat betreft voedsel als gezondheid als andere sectoren. 

subsidies an ander stimuleringsmaatregelen voor duurzame energie en ‘schone ‘producte moeten beschermd worden tegen o.a. inversteringseisen, zie de brede uitzonderingsmaatregelen geschetst onder regel 4 

– Regeringen moeten importheffingen en andere handelsmaatregelen kunnen gebruiken omde lokale productie van duurzame goederen en diensten te stimuleren, en de productie van goederen met een grote milieubelasting (zoals electronische apparaten en afval) te ontmoedigen.

Landen in het zuiden moeten idustrieel beleid kunnen opstellen waarmee binnenlandse ecoomische sectoren worden beschermd tegen competitie, lokale economiën worden beschermd en  de transitie naar een duurzame ontwikkeling wordt bevorderd. 

6 Bevordering van duurzame landbouw

 

Importheffingen verhogen en quotas verlagen om lokale markten te beschermen tegen goedkope importen die de voedselzekerheid en inkomens van boeren bedreigen. Boeren moeten stabiele kostendekkende prijzen kunnen verdienen. Milieukosten moeten in de prijzen voor consumenten vedrisconteerd zijn. Landen in het zuiden moeten beleidsruimte krijgen om lokale en regionale voedselketens en markten te beschermen, de landbouw te diversifiëren  en voorraden op te bouwen

De handel in landbouwproducten moet afnemen zodat landen hun eigen voedselsystemen kunnen ontwilkkelen en de Europese voetafdruk wat betreft landbouwgrondstoffen verkleint. 

Millieu-onvriendelijke productiewijzen kunnen legitieme redenen zijn voor weigering van markttoegang.

Importtarieven verlagen voor duurzaam geproduceerde producten die Euorpa zelf niet kan produceren. De EU zou exporterende landen financieel en met know-how op dit gebied moeten ondersteunen. 

– Het begrip ‘intellectueel eigendom’ moet herzien worden zodat boeren recht houden op zaden. Genetische diversiteit is belangrijk uit het oogpunt van klimaatverandering. Daarom moeten regeringen het desbetreffende internationale verdrag ondertekenen en uitvoeren, zodat het recht om zaden te bewaren en delen gewaarborgd blijft. 

7 Democratisch toezicht en transparantie verzekeren

 

– De Eurppese Commissie moet brede en transparante consultaties houden, en het concept-mandaat moet besproken worden in het parlement en in overleg met het maatschappelijk middenveld. 

– Alle voorstellen en ontwerpteksten zijn openbaar. 

Het parlement moet betrokken zijn bij de opstelling van het mandaat en moet amendementen kunnen indienen op het tekstvoorstel, waarover vervolgens onderhandeld wordt. De ondertekening wordt altijd vooraf gegaan door een debat in het parlement. 

– Nationale regeringen leggen het ontwerpvoorstel voor aan de nationale parlementen. ‘Voorlopige toepassing’ van overeenkomsten kan niet langer.

Raadpleging van alle ‘stakeholders’ wordt in alle stadia gegarandeerd. Kleinere organisaties  kunnen hierbij steun krijgen.

– Vooraf en achteraf vinden onafahankelijke ‘impact assessments’ plaats, die openbaar zijn en bij de onderhandelingen betrokken worden. Als een verdrag eenmaal  aangenomen is vinden er regelmatig evaluaties plaats,  waarna verdragen kunnen worden aangepast. 

– toekomstige handelsovereenkomsten bevatten een ‘beëindiginsclausule’, waarmee een verdrag kan worden beëindigd als grondige evaluatie aantoont dat  de overeenkomst verkeerd uitpakt. Lange trajecten  – zoals 20 jaar in het geval  an investeringprbescherming – gaan tot het verleden behoren. 

 

Voor het (langere!) rapport in het engels zie Setting course for Sustainable Trade 1

p.s. na het schrijven van dit artikel kwam ik er pas achter dat dit stuk is gebaseerd op een publicatie van ‘onze eigen’ Milieudefensie van vorig jaar, 2017: Handelsagenda voor duurzame en eerlijke economie’

Mensen van Milieudefensie zijn hier al mee naar Tweede kamerleden gagaan.

Er zijn veel overeenkomsten thusssen het Nederlandse en het Europese stuk.  Het stuk van Friends of the Earth Europe richt zich meer op de Europese en internationale politiek.  

 

apr 302018